Stukje Oekraïne

Ik werd geboren in Amsterdam, Weesperstraat 30, 2 hoog. Dat was op de plek waar na veel gesteggel het Holocaust-Namenmonument tot stand kwam. We hadden uitzicht op de Amstelhof en het huisje dat tegenwoordig bij de Hoftuin hoort. Totdat in 1958 blok voor blok de afbraak begon, vertoonde de Weesperstraat een zekere gelijkenis met de Utrechtse- of Leidsestraat: met de tramrails van lijn 5 die zich op de bruggen verdeelden om de trams elkaar te laten passeren, en met veel detailhandelszaken.

Alleen waren de huizenrijen niet compleet. Zo was er naast ons huis een opening van vier panden breed die door een muur van één verdieping hoog van de straat was gescheiden. Onze ouders huurden het terrein samen met kennissen van de gemeente, zodat we het als tuin konden gebruiken. Vlak tegen de scheidsmuur zagen we betonnen vlakken en stukjes zijmuren, die ons niet zomaar vanzelf hun verleden prijsgaven

Wij beleefden in de Weesperstraat onze jeugd, we speelden en gingen naar school, luisterden naar de radio (de Draadomroep!), met hoorspelen als Paul Vlaanderen en Sprong in het Heelal en volgden het nieuws van de jaren vijftig en begin zestig. Spannend, die eerste spoetnik op 4 oktober 1957!  Ons huis was vrij oud en tochtig, maar we gingen er naar bed met de zekerheid dat er morgen weer een dag zou zijn.

In de zomer van 1962, een halfjaar voordat we wegens de naderende sloop van ons huis vertrokken, vonden we in de kelder van onze onderburen enkele voorwerpen die te denken gaven. Zoals boeken die toebehoord hadden aan een familie Cohen. Intussen was duidelijk geworden dat er in ons huis ooit mensen woonden die ook gedacht hadden dat er morgen ook weer een dag zou zijn – totdat in 1942 en 1943 de razzia’s plaatsvonden en de bijna alle Joden werden afgevoerd. Hun bezittingen werden door de firma A. Puls meegenomen en enkele dingen kwamen op een of andere manier in de kelder van onze (mogelijke foute!) onderburen terecht, waaronder dat boek van het gezin Cohen. Ook werd ons verteld dat er naast onze woning ooit huizen stonden die in de oorlog leeggehaald waren en tijdens de hongerwinter van al het hout waren ontdaan, zodat ze vlak na de oorlog moesten worden afgebroken.

Slapengaan met het idee of in de hoop dat er morgen weer een dag is, dat deden veel Oekraïners ook nog op 23 februari van dit jaar. Om vanaf 4 uur ’s nachts door explosies te worden opgeschrikt. Wat voor ons de Duitse inval van 10 mei 1940 was, gevolgd door het bombardement op Rotterdam op 14 mei, dat was 24 februari 2022 voor hen. Daar gingen ze, op de vlucht of naar de schuilkelder, met hun huisdieren…

Onze ouders waren communistisch georiënteerd en lazen De Waarheid, een krant waarvoor mijn vader jarenlang als muziekrecensent werkte, maar die je voor vriendjes maar beter verborgen kon houden. De bezorger werd gemaand niet ‘De Waarheid!’ te roepen, maar ‘De krant!’

We hadden naast de gebruikelijke belangstelling voor muziekgenres als jazz en rock-‘n-roll een bijzondere interesse voor volksmuziek uit Oost-Europa en van de Balkan. Wat konden we ons laten bekoren door de prachtige Russische koorzang, de Bulgaarse koorarrangementen van Filip Kutev, het Roemeense volks-symfonieorkest Barbu Lăutaru, het Hongaarse Staats- en Volksensemble en de verschillende Joegoslavische ensembles… Soms kon je die groepen bewonderen in de Cineac aan de Reguliersbreestraat.

Een en ander leidde ertoe dat ik een paar maal (volgens de mode van die tijd) liftend naar Joegoslavië, Bulgarije en Roemenië ging. Door de wat onverwachte sluier van grauwheid en armoede – die zo onverwachts contrasteerde met de fraaie kostuums, geoliede choreografieën en vakkundige muziekarrangementen van die volksdansgroepen, moest je maar heen zien te kijken. Dan zou je alsnog de schoonheid en de cultuur van het gebied ervaren. In ieder geval ervoeren we dikwijls de gastvrijheid van de mensen

In 1967 ging ik slavistiek studeren, met Russisch als hoofdvak, al interesseerden talen als Servo-Kroatisch en Bulgaars me veel meer en vond ik in de Zuid-Slavische talen en het Albanees als vertaler uiteindelijk mijn draai. In die tijd was de Kroatische kust een geliefd vakantieoord, in de binnenstad van Sarajevo hing een gezellige toeristische drukte en het centrum van Belgrado had zowaar iets kosmopolitisch.

Het communisme had intussen wel de nodige desillusies opgeleverd, zoals de onderdrukking van de Hongaarse opstand in 1956, de bouw van de Berlijnse Muur vanaf 1961 en de Russische inval in Praag in 1968. 

Op de Universiteit van Amsterdam gaf ik vanaf 1975 college Oud-Kerkslavisch (of Oud-Bulgaars) en Oud-Russisch. De meeste teksten in het leerboek Kerkslavisch waren oorspronkelijk geschreven in het glagolitisch, het door Cyrillisch en Methodius ontworpen alfabet om de vertalingen uit het Nieuwe Testament voor de vorst van Groot Moravië op schrift te stellen. Na hun verdrijving vandaar werd het orthodoxe geloof verder uitgebreid in het Eerste Bulgaarse Rijk. Op basis van de volgorde in het glagolitisch alfabet ontstond een alfabet waarvan de vormgeving was gebaseerd op het Griekse schrift dat je het op iconen en mozaïeken (ook in de Aya Sofya) kunt zien en dat je in Griekenland in veel opschriften met een religieus karakter tegenkomt. Dat wordt nu het cyrillische alfabet genoemd, en daarin waren ook de meeste teksten in dat leerboek omgezet.

Het Kerkslavisch was ook van fundamenteel belang voor het Oud-Russisch. Zoals Kerkslavisch als ouder Macedonisch of Bulgaars zou kunnen gelden – de Bulgaren spreken van slavjanobălgarski of starobălgarski – Slavisch  of Oud-Bulgaars – kan het Oud-Russisch (drevnerusskij jazyk) ook worden gezien als Oud-Oekraïens, of eerder nog: als de schrijftaal in het Kiëvse rijk. Vandaar natuurlijk de verwijzing naar de historische verwevenheid van Rusland en Oekraïne…

Voor de geschiedenis van het Oekraïens, zie https://en.wikipedia.org/wiki/Ukrainian_language

Voor de geschiedenis van het Russisch, zie

https://en.wikipedia.org/wiki/Russian_languagev

https://en.wikipedia.org/wiki/History_of_the_Russian_language

Na de verwoesting van Kiev door de Mongoolse horden van Batu Khan in 1240 vormde zich in de loop van de 14e eeuw het Moskouse rijk dat zich steeds meer profileerde als het Derde Rome, de opvolger van Rome zelf en van Constantinopel, dat in 1453 in Turkse handen viel ‘als straf voor het schisma van 1054’ en ter meerdere glorie van Moskou. In de schrijftraditie van dat rijk werd als ‘hoge stijl’ nog steeds zoveel mogelijk het Kerkslavisch aangehouden, dat met een Russische uitspraak ook nog in kerkzangen en gebeden te horen is. Daardoor doet het Russisch soms meer Zuid-Slavisch aan dan het Oekraïens, dat een iets andere taalkundige en cultuurhistorische richting volgde. 

Batu Khan was niet de eerste vernietiger van de stad Kiev, die pas veel later weer op de kaart zou verschijnen. Ook na de Tweede Wereldoorlog lag de stad in puin en moesten straten als de Chreščatyk  van de grond worden herbouwd. En te vrezen valt dat Hitler-Duitsland niet de laatste verwoester zal zijn.

Mijn eerste kennismaking met Oekraïne was in de zomer van 1975. Ik reisde er naartoe met mijn toenmalige echtgenote Josée, die daar van moederskant familie heeft wonen. Ons visum gold alleen voor Kiev en een beperkt gebied eromheen. Het leven verliep er geordend, maar een beetje saai. Het was 30 jaar na de Grote Overwinning op Nazi-Duitsland, dus er hingen overal spandoeken. De Dnjepr werd druk bevaren en je mocht als buitenlander wel per draagvleugelboot (Raketa) naar Kanev / Kaniv, waar zich een monument bevindt van schilder, tekenaar en schrijver Taras Ševčenko (1814-1861), die als de grondlegger van de Oekraïense literatuur wordt beschouwd. Vanaf de aanlegplaats moest je een stukje met de bus en onderweg zag je een landschap dat enige gelijkenis vertoonde met dat in Servië. 

Ik had het idee dat de status van het Oekraïens iets weghad van die van het Catalaans in Spanje (zowel het Catalaans als het Oekraïens waren in bepaalde perioden verboden!) of – nog iets meer in de marge – het Occitaans in Zuidwest-Frankrijk. Allebei overigens talen met een eigen literatuur.

Maar hoe dan ook, het leven functioneerde er en veel mensen toonden zich tegenover ons min of meer tevreden Sovjetburgers. Dat gold ook voor onze familieleden, die ons er zo mager uit vonden zien: Vas na Zapade ne kormjat? – Krijgen jullie in het Westen niet te eten?Een klein jongetje kon je op straat spontaan  vertellen U nas bezraboticy net! – Wij hebben geen werkloosheid!’  Nee, dat niet, maar wel overal lange rijen, dacht ik. Maar ook al werd er overal veel gedrongen en vooral voorgedrongen, toch zagen sommige mensen in het communisme juist een inspiratiebron om tegenover de medemens heel correct en voorkomend te zijn.

Opvallend was dat er zelfs binnen één familie verschillen in culturele en politieke opvattingen bestonden. Een van onze beide ooms was in cultureel en vooral literair opzicht duidelijk Russisch georiënteerd en ik herinner me nog zijn trotse uitspraak A u nas – russkaja kul’tura! – Wij hebben een Russische cultuur! De andere oom dacht daar iets relativerender over en zijn Russisch vertoonde iets meer Oekraïense trekken. Soms werden er binnen familieverband grappen gemaakt als ‘die zijn naar onze socialistische broederlanden vertrokken,’ dat was wanneer een product of artikel niet te krijgen was. Nichtje Katja zou naar Tsjecho-Slowakije gaan en werd fluisterend gewaarschuwd dat je daar niet te opvallend Russisch moest spreken, want dat was daar vanwege de inval in 1968 ‘niet zo populair’.

Het strand langs de Dnjepr, met een prokatnyj punkt – een verhuurplek voor lakens en ligstoelen – zag er eenvoudig, maar verzorgd uit. Dat gold ook voor de musea, de parken (met ouderwets, krakend parket) en de metro. De oude wijk Podol / Podil maakte echter een verwaarloosde indruk en in de tuinen van de vroegere herenhuizen hingen armoedige wasjes aan de lijn…

In 2003 gingen we opnieuw naar Oekraïne. Nu met mijn tweede vrouw Alma en onze kinderen. In Kiev, waar we een appartementje hadden geregeld,  zouden we Josée en haar man Gidius treffen. We vetrokken ’s avonds na een moeizame overstap uit Frankfurt a/d Oder. Nog altijd werden in de trein letterlijk de lakens uitgedeeld door de provodnica – de conductrice, die de wagon onder haar hoede had en voor heet theewater zorgde. We kwamen Oekraïne binnen via de grenspost Chełm – Jahodyn. Eerst kwam het ritueel van de treinwielen, die wegens de grotere spoorbreedte in Oekraïne moesten worden verwisseld. Dan volgde de reis door het landschap met soms schitterende vergulde kerken, maar daaromheen ook armelijke, Anatevka-achtig aandoende dorpjes. Hier en daar zag je in het glooiende of vlakke landschap een waterput met zo’n grote hefboom. Ja, we reden door de vroegere Čerta jevrejskoj osedlosti – de zone waar in het Russische keizerrijk de Joden zich mochten vestigen en die ook door Wit-Rusland liep. Het was het vroegere gebied van de sjtetls en steden waar veel vooraanstaande Joodse intellectuelen, kunstenaars en wetenschappers vandaan kwamen of hun wortels hadden. We kwamen ’s avonds in Kiev aan. Het leven maakte veel een opgewektere indruk dan in 1975, maar onze Russisch-gezinde oom klaagde dat er zoveel sovjetzekerheden waren weggevallen, met name de waarde van je pensioen. Hij voelde zich nog altijd meer Rus dan Oekraïner, leek het. En als het om literatuur ging: dan had je in het Russisch toch veel meer keus dan in het Oekraïens… Hij ging daar waarschijnlijk voorbij aan wat het Oekraïens literair wel te bieden had.

            Opnieuw namen we de draagvleugelboot naar Kaniv. De Dnjepr was verder bijna leeg en verlaten. We zagen aan de zuidrand van Kiev nieuwbouw met moderne, westerse (en wat poenige) allure en langs de oevers nog tekenen van het oude Sovjet-verval, zoals een aanlegplaatsje waar de roestige bewapening uit het brokkelige beton stak. We reisden van Kaniv door naar Bubnovskaja Slobodka / Bubnivs’ka Slobidka, een dorpje waar Josée’s familie een stuk land en een chata – een huisje – heeft. Er was een kerkhofje met op sommige graven een kruis en op andere een rode ster. In het dorp vertelde onze Russisch-georiënteerde oom over de vleesverwerkende industrie die er ooit in de buurt was, maar nu niet meer. ’s Avonds klonk er vanuit de verte een door vrouwen gezongen lied dat in mijn oren erg Russisch aandeed.

In Kiev werd nog veel Russisch gesproken. Het grote plein bleek Majdan nezaležnosti te heten – het Onafhankelijkheidsplein, hier vaak het Majdanplein genoemd. Datzelfde ‘majdan’ figureert in de  Turkse naam Taksim Meydanı voor het Taksimplein in Istanbul, ook een plein met een roemruchte recente geschiedenis. In de stad stond inmiddels een gedenkteken van de holodomor – de kunstmatig veroorzaakte hongersnood van 1932-1933 die miljoenen slachtoffers eiste.

Door de Kiëvse wijk Podil, die er in 1975 nog zo vervallen uitzag, loopt als hoofdstraat de steil oplopende Andrijivs’kyj uzvis (in het Russisch loopt hij omlaag: Andrejevskij spusk). De buurt ademde nu een levendige en ook artistieke sfeer, met terrasjes, kunststalletjes, het huis van Boelgakov (met de zwarte kat) en een aan het straatje gewijd huismuseum.

Het strand aan de Dnjepr was een stuk opgevrolijkt, maar ook iets meer gecommercialiseerd, met luxe ligstoelen, obers die op bestelling drankjes kwamen brengen, mogelijkheden voor massage, een  bungeejump-installatie en een waterglijbaan.

Onder de jongere generatie leek het Oekraïne-gevoel meer te leven dan bij de ouderen, die al een leven als Sovjetburger achter zich hadden. Tekenend waren de t-shirtjes met Ukraina – Born to be free. De meisje waren superslank en modieus gekleed en liepen met modieuze tasjes, maar de iets oudere vrouwen hadden vaak nog wat schommeligs en liepen in bloemetjesrokken en -bloesjes en met hoofddoeken om…

Na enige tijd vertrokken we richting L’viv. Dat de stad ook in het Habsburgse Rijk en in Polen gelegen had, was duidelijk te zien. Er was een veel sterker Oostenrijks en rooms-katholiek element aanwezig, met mooie kerken en aan sommige huizen kleine hoeknisjes met een Mariabeeldje, net als in Zuid-Duitsland, Oostenrijk en Slovenië.

Er stond een modern standbeeld van Taras Ševčenko en een paar straten verderop zagen we een vooroorlogs monument voor de Poolse dichter Adam Mickiewicz. We ontdekten nog half verbleekte muurreclames in het Pools en Yiddisch; ze waren van vooroorlogse winkels en ondernemingen en daarbij stonden de adressen van hun filialen in Kraków. De stad had smalle straten waar zich een trammetje doorheen wurmde, en in een Poolstalige stadsatlasje stonden de straatnamen ook zoals ze vóór de Tweede Wereldoorlog in het Pools waren, met daarbij de aanduiding dawna / dawny – de voormalige (…straat)’.

Tijdens onze treinreis door Galicië richting Krakow werden in Przemyśl de treinwielen weer verwisseld. Op het emplacement zagen we nog een paar Oekraïense treinwagons staan, met van die mooie gehaakte gordijntjes. Het had ook iets Russisch… Eenmaal in Polen zagen we veel  nieuwe, soms enorm grote rooms-katholieke kerken. Het gebied waar we tussen Kiev en de Poolse grens doorheen waren gekomen, was de overgangszone tussen de Russische en Oekraïense orthodoxe wereld en die van het rooms-katholieke Polen en het oude Habsburgse Rijk. En het gebied van de geünieerde kerk, die ook het gezag van de Paus erkende. Deze zone tussen Oost en West is ongetwijfeld langs de hele Russische westgrens te vinden en maakt het gebied zo rijk en interessant. Meerdere malen keerde Rusland zich naar het westen, wat onder andere resulteerde in de stichting van Petersburg op 27 mei 1703. Daartegenover staat een oude, Byzantijnse autocratische traditie met een belangrijke rol voor de orthodoxe kerk. Een kerk die een prachtige muzikale traditie voortbracht en belangrijke componisten inspireerde, zoals Rachmaninov met zijn vespers, maar die ook kan fungeren als geestelijke steunpilaar voor een autoritair bewind.

Wat Oekraïne betreft: het gebied betrad de geschiedenis als deel van het Kievskaja Rus’ – het Kiëvse Rusland, dat aan de route lag tussen de Vikingen en het Byzantijnse Rijk, waarmee het nauwe dynastieke banden bezat. Zo kon Kiev – dat de hegemonie kreeg over de vele elkaar soms bitter bevochtende kleinere staatjes – zich een dochter noemen van Constantinopel. Na de ondergang van Kiev in 1240 heeft het huidige Oekraïense gebied deel uitgemaakt van diverse rijken, en soms van meerdere tegelijk: Polen-Litouwen, Rusland, het Ottomaanse Rijk, het Habsburgse Rijk, het naoorlogse Polen en de Sovjet-Unie. Het kende na de Eerste wereldoorlog een korte periode van zelfstandigheid en pas in 1991 kreeg het de zelfstandigheid die het nu heeft.

Door zijn geschiedenis en geografische ligging kent Oekraïense een grote culturele verscheidenheid. Enerzijds is er de historische symbiose en continuïteit met Rusland. Zo kwam Nikolaj Gogolj (1809-1852) uit Oekraïne, en dat is in de thematiek van sommige werken  terug te vinden. Enerzijds heb je Petersburgse vertellingen (1835-1842) en anderzijds werken als Taras Bulba uit de verhalenbundel Mirgorod, 1835. De componist, dirigent en klavecinist Dmitrij  Bortnjanskij / Dmytro Bortnjans’kyj (1751-1825, dus een tijdgenoot van Haydn, Mozart, Beethoven en Schubert) wordt door zowel Rusland als Oekraïne als deel van de muziekgeschiedenis geclaimd.

Die combinatie van Russisch-Oekraïense (en ook Wit-Russische) culturele continuïteit én verscheidenheid zou een soort Oost-Slavisch Gemenebest van Rusland, Belarus en Oekraïne tot een heel aantrekkelijke optie kunnen maken. Een solide blok, bijvoorbeeld tegenover het Westen, waarmee traditioneel een soort haat-vrees-bewondering-liefdeverhouding bestaat. De vraag is alleen: met wie aan het roer?  Want de huidige vraag is: wat heeft de Russische regering tegen Oekraïne? Waarom zou het land ‘gedenazificeerd’ moeten worden? Omdat er echt fascisten of nazi’s aan het bewind zijn? Omdat het een minder autocratische staatsvorm heeft en zich te veel op het Westen dreigt te richten? God mag het weten, maar één ding is duidelijk: annexatie van Oekraïne voelt nu aan als een stap terug in de geschiedenis. In dat geval is slechts te hopen dat het land op langere termijn, met het gespaard blijven van Kiev en de andere steden, na het verscheiden van Poetin (zijn naam roept associaties op met het Russische woord púty – ketens, kluisters), ooit weer een nieuwe kans krijgt en er eventueel een democratisch Oost-Slavisch Gemenebest mogelijk is, met ruimte voor alle grote culturele waarden die het gebied van oudsher vertegenwoordigt…

Roel Schuyt.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *